Hoe ga je om met kunst die in de DDR is ontstaan?

Al bijna drie decennia strijdt hij voor een passende kunstbeleving die in de DDR is ontstaan: Paul Kaiser, die in 2017 de aanzet gaf tot het zogenaamde ‘Dresdense beeldgeschil’ toen naar zijn mening de slechte omgang met zogenaamde DDR-beschuldigde kunst in het Dresden Albertinum. Paul Kaiser heeft laten zien dat het ook anders kan. Samen met museumdirecteur Thomas Bauer-Friedrich ontwikkelde hij in het Kunstmuseum Moritzburg in Halle de retrospectieve van Willi Sittes werk ‘Sitte’s Welt’.

Was het een risico om de niet geheel onbetwiste Willi Sitte in deze mate, namelijk bijna zijn gehele werk, in het Moritzburg Art Museum in Halle te presenteren?
Paul Kaiser: Nou, het was geen risico voor mij omdat ik al 20 jaar met deze risico’s te maken heb. Voor een museum van deze omvang, en vooral voor de sponsors van een dergelijk project, was het zeker nog een risico, want het gaat om kunstenaars die lange tijd in de DDR hebben gewoond – het gaat niet alleen om kunst uit de DDR, het is , ook Kunstenaars die na 89/90 zijn blijven werken, waaronder Willi Sitte – dat is voor velen zeker nog een probleem. Maar sommige dingen zijn ten goede veranderd.

In hoeverre denkt u dat de kunst van Willi Sitte een voorbeeld kan zijn van kunst in de DDR?
Kaiser: Het is geen voorbeeld van kunst uit de DDR of uit de DDR. Bijna als een didactiek staat het voor de onbalans tussen kunst en macht in het lot van een kunstenaar in de twintigste eeuw. Zoiets was er ook in andere tijden, als je schilderprinsen ziet die verbonden waren met de representatie van het politieke systeem enzovoort. Maar dergelijke cijfers bestonden ook in het zogenaamde Derde Rijk. Hij was praktisch een staatskunstenaar bij uitstek. Hij was een vertegenwoordiger. Maar hij was ook iemand die met het politieke systeem op de proppen kwam en zijn keerzijde had ten aanzien van autonomie. Hij heeft zojuist geprobeerd met één been tegelijk in totaal verschillende milieus te staan.

Enerzijds in het kamp van de non-conformisten, waartoe zijn sympathie eigenlijk behoorde, althans artistiek, en anderzijds in het kamp van functionarissen en machthebbers. En hij bracht beide milieus in zijn werk, en dat is uniek in deze dictie en ook in deze hoeveelheid. In de tentoonstelling probeerden we dit duale systeem, dit duale systeem van gewoonte weer te geven, door bijvoorbeeld in 1953 foto’s te tonen van een absoluut vlak naturalistisch portret van Karl Marx naast prachtige moderne bewerkingen, kunstmatige studies die niet samen te brengen zijn, die van de hand door een kunstenaar.

De centrale kunsttentoonstelling in het Albertinum speelde een grote rol in een polemiek van u, gepubliceerd op 18 september 2017 in de ‘Sächsische Zeitung’. De kop: ‘Zet de muren op’ en de centrale beschuldiging dat het nieuwe hoofd van het Albertinum, Silke Wagner, op grote schaal DDR-kunst in het depot weggooit. Wat heeft ervoor gezorgd dat je deze uitbraak hebt gehad?
Kaiser: Sinds 1997 heb ik samen met mijn vrouw de grote tentoonstelling ‘Boheme und Dictatuur’ in het Duits Historisch Museum in Berlijn gedaan. Het was een groot succes met 120.000 bezoekers, van Nansen tot Azië. En daar was het voor het eerst dat je iets opmerkte van deze schijnbare verdeling van kunstenaars in het Oosten, dat er ook een non-conformistische, autonome kunstbeweging was in de DDR, vooral in de Saksische steden. En dat leidde ertoe dat ik deze materie steeds beter leerde kennen, met talloze kunstenaars sprak, archieven evalueerde, vele tentoonstellingen en kleinere publicaties maakte en me vervolgens ook bezighield met de staatsstructuur van deze DDR-kunst.

Wat feitelijk leidde tot de ‘Dresden Bilderstreit’ in Dresden in 2017, is eigenlijk het feit dat op dit moment de Duits-Duitse controverse al begraven leek te zijn. We hadden in 2012 een grote tentoonstelling in Weimar, die heette ‘Abschied von Ikarus’, en dat werd eigenlijk al positief besproken op de hoofdpagina’s als het einde van de beeldcontroverse. Nu is eindelijk de rust teruggekeerd. Ten slotte kan men de participaties ook feitelijk benaderen. En toen kwam plotseling wat ik een soort saterspel zou noemen van deze tragedie over de DDR-kunsten, een directeur van een kunstvereniging die echt ondeugend was en nog nooit in een museum had gewerkt en de baan van haar leven kreeg als hoofd van het Albertinum, om zo te zeggen.

Het was exemplarisch, niet alleen voor de wisseling van de elite van west naar oost, maar ook dat in 2017 bleek dat mensen nu zonder afkomst werden aangesteld, zonder een grote hoeveelheid kennis over het onderwerp en dat deze fout van rigoureus het negeren van oosterse kunst was nog steeds duidelijk leek een keer te herhalen. Dat was eigenlijk het uitgangspunt. De specifieke reden was dat mevrouw Wagner de permanente tentoonstelling zou hebben, die tot op de dag van vandaag het middelpunt is gebleven, d.w.z. die zou moeten variëren van de romantiek van 1800 tot hedendaagse kunst en de ontwikkeling van de topos van Dresden, d.w.z. van de Romantics die Brücke tot AR Penck en Gerhard Richter, die dit verhaal vertelden over Dresden als exemplarische kunstlocatie van de twintigste eeuw,

En het ging niet om DDR-kunst, dat was altijd een beschermende claim. Het ging niet om Walter Womacka, en ook niet om Willi Sitz, maar om Bernhard Kretzschmar, om AR Penck – om mensen die als het ware deze Dresdense kunststroming, deze grote traditie, ook in de DDR voortzetten, bij wijze van spreken. En dat is het punt. Ik werd vaak geïnterviewd en vroeg: ‘Wat is het probleem, we willen Peter niet steeds weer in de dierentuin zien’ enzovoort. Daar ging het helemaal niet over. Daar ging het net om. Ik beantwoordde dat toen met de tegenvraag: als een Oost-Duitse kunsthistoricus, zeg maar in het Kunstmuseum Stuttgart, als hij daar directeur was geworden, in de eerste plaats afhankelijk zou zijn van de hele abstracte naoorlogse moderniteit en zou zeggen dat dat niet meer de onderwerp omdat het niet meer relevant is,

Foto: Marcus-Andreas Mohr

Geef een antwoord