Planeconomie kocht overbodige groente en fruit uit ‘Datsche’ op

In de voormalige DDR bestonden ze echt: opkopers van de staat, die groenten en fruit inkochten op volkstuincomplexen. In de communistische DDR hadden ze een planeconomie. Wat er werd geproduceerd, werd bepaald door de politieke organen van het land. Dat werkte van geen kant. Het systeem leidde ertoe, dat er te weinig van alles werd geproduceerd.

Zelfs aan voedsel was er gebrek. De burgers van de DDR leden geen honger. Er waren aardappelen, winterwortelen en uien. Maar de echt lekkere en bijzondere groenten werden door de staat niet verbouwd. Daarom was het huren van een volkstuintje, een Datsche, in de DDR een fel begeerd voorrecht. In hun eigen moestuintje konden de DDR-burgers groenten en fruitsoorten verbouwen die niet in de winkels lagen.

Datsche komt uit het Russisch en is een woord dat in de tijd van de DDR in de Duitse taal gemeengoed werd. Omdat veel inwoners in de Plattenbau woonden, was een Datsche een normaal bezit, een klein moestuintje met een weekeindhuisje erop.

Wie tomaten, aardbeien, appels, peren, rabarber, kersen of verse kruiden wilde eten, moest ze zelf verbouwen. In de planeconomie was geen ruimte voor dergelijke ‘luxe’. Wie een volkstuintje bezat, of wie iemand kende die een volkstuintje had, kon zijn of haar buikje vol eten met dingen die een normale burger van de DDR niet kon kopen.

Natuurlijk wilde het regime niet toegeven dat het zijn onderdanen niet kon voorzien van rabarber of tomaten. Daarom werden er officiële inkopers naar volkstuincomplexen gestuurd om daar de overschotten op te kopen. Want, zoals iedere moestuinier wel weet: je houdt altijd wat over. Op die manier sneed het mes aan twee kanten. De volkstuinbezitters konden wat extra verdienen met hun overschot. En in de staatswinkels lagen soms ook producten die de planeconomie eigenlijk niet kon leveren.

Geef een reactie