Een Trabant gaat nooit verloren

Bijna 65 jaar geleden reed de eerste Trabant de fabriek uit. Precies op deze dag, 30 april, in 1991 de laatste. Nog altijd koesteren tienduizenden liefhebbers het onverwoestbare karretje. Ze komen vaker bijeen voor Trabant Treffen, dat voor de Coronacrisis op meerdere plekken georganiseerd werd.

In zijn hilarische roman ’Trabanten’ beschrijft Falko Hennig hoe de achttienjarige held van het verhaal een Trabant weet te bemachtigen. Langs slinkse wegen, zonder de gebruikelijke wachttijd van ruim tien jaar. Het kost hem 7500 oost-marken, zijn moeder betaalt mee, per slot van rekening is een Trabant een veilige investering in de toekomst.

Het koopcontract is gedateerd op 9 november 1989. Wanneer hij de volgende dag wakker wordt is de Muur gevallen en de auto niets meer waard. Of toch? Op een van de uitzinnige feesten van die dagen versiert hij zijn eerste meisje. Hij troont haar mee naar zijn ’Trabbi’. Ze proberen te vrijen maar het lukt niet. Pas als hij de motor start en hij het gelijkmatige tweetaktgeluid hoort, komt eindelijk ook zijn lichaam op toeren.

Vanaf 1957 tot aan de val van de Muur is de Trabant nauw verweven geweest met het leven en lijden van de DDR-burger. Alles draaide om het kleine autootje met de kunststof carrosserie en het simpele motortje van achttien pk. Had men er na jaren eindelijk een verworven, dan gingen vele weekenden heen met het sleutelen aan de auto en het jagen op reserveonderdelen.

De economie van de DDR werd gekenmerkt door schaarste aan alles. Zo was er in 1957 door de boycot van het Westen een enorm tekort aan blik. Vandaar dat de socialistische eenheidspartij verordonneerde dat de autobouwers in Zwickau een carrosserie uit kunststof moesten ontwikkelen. Uit lompen en kunsthars persten de ingenieurs het zogeheten ’duroplast’.

Hadden de eerste exemplaren nog de ronde vormen die kenmerkend waren voor de jaren vijftig, in 1964 kreeg de auto de rechtere lijnen die toen in de mode kwamen en verschenen er zelfs vleugeltjes aan de achterkant. Dat ontwerp hield tot het eind toe stand. Er werden wel nieuwe ontwerpen uitgeprobeerd, maar het geld voor de machines om ze in serie te bouwen, ontbrak ten enen male.

De Trabant groeide uit tot het symbool van de socialistische stagnatie. Aanvankelijk deed het autootje nauwelijks onder voor zijn westerse soortgenoten, zoals de Deux Chavaux, de Volkswagen Kever en de Daffodil. Maar al na tien jaar liep het hopeloos achter en na dertig jaar was de Trabant het lachtertje van de internationale autoindustrie.

Even leek er redding in zicht. Dankzij de ontspanningspolitiek van de late jaren tachtig konden de autobouwers van de DDR een deal sluiten met Volkswagen. Ze kregen een licentie voor de viertaktmotor van de VW-Polo en wilden daar de Trabant mee uitrusten. In december 1989 ondertekenden ze het contract. De opgevoerde Trabant is nooit in productie gekomen.

Op 30 april 1991 verliet de laatste Trabant de fabriek in Zwickau. Meer dan drie miljoen exemplaren waren hem voorgegaan. Van die drie miljoen zijn er in de Bondsrepubliek nog ruim vijftigduizend over. In hippe kleuren, met bloemmotieven of met het felrode logo van de Linkspartei rijden ze door de straten van Berlijn en over de keien van het oost-Duitse platteland.

De eigenaren zijn echte liefhebbers. Je hoeft geen geniale monteur te zijn om een Trabant een leven lang aan de praat te houden. Zoals ze in de DDR over het onverwoestbare karretje zeiden: ’Met hamer, tang en draad / kom je tot in Leningrad’.

Geef een reactie