Autohonger in het vroegere Oostblok

Onlangs herdachten we het feit dat dertig jaar geleden een einde kwam aan de DDR, maar in het verlangde daarvan ook het einde aan het zogenoemde Oostblok. En met die politieke omwentelingen die daarvan het gevolg waren kregen we ook te maken met een grote kopersgroep die ‘gek’ bleek op westerse auto’s.

De Oost-Europese consumenten waren decennia lang aangewezen geweest op voertuigen die vrijwel concurrentieloos werden aangeboden en slechts door ruilhandel tussen de betreffende staten leverbaar werden. Opmerkelijk was ook dat veel van die staten in Oost-Europa een eigen auto-industrie overeind hielden die ze al voor de Tweede Wereldoorlog hadden bezeten. Deels gebruikte men daarbij technologie en mallen van grote en bekende fabrikanten als Opel of BMW, maar elders werden complete autofabrieken uit de grond gestampt, al dan niet met behulp van westerse autofabrikanten.

Zo was Fiat verantwoordelijk voor de bouw van de tot Lada 1200 getransformeerde Fiat 124 uit de jaren zestig. De grotere Fiat 125 kwam in Polen als 125P uit en de 128 ging naar vmlg. Joegoslavië om daar als Zastava een eigen leven te gaan leiden. In de DDR werd IFA een grote fabrikant. Zij waren in feite de opvolgers voor het in Zwickau achtergebleven deel van het vooroorlogse DKW. Via wat omwegen leidde dit tot merken als Wartburg en Trabant, terwijl ook de bestelauto Barkas zich baseerde op die technieken. In Polen ontstond naast de door FSO gebouwde 125P en Polonez ook een klein model bij een bedrijf dat FSM heette en eerder bekendheid had gekregen met de metalen tegenhanger van een Trabant, de Syrena 105. Het is overigens diezelfde fabriek die nu Panda’s en 500’s bouwt voor Fiat.

In Tsjecho-Slowakije was Skoda het thuismerk en dat merk draaide eigenlijk prima, vooral ook omdat men tot 40 landen bediende met de producten uit die tijd, waaronder ook bijzondere landen als Australië, Canada en IJsland. Dat gold niet voor het luxe merk Tatra dat een exoot bleef en ook bij ons uiterst zeldzaam. De Russen startten hun autoproductie overigens direct na de tweede wereldoorlog toen men met uit Duitsland meegesleepte onderdelen van Opel-assemblagelijnen de vooroorlogse Olympia ging bouwen als Moskvitch. Een succesvol model overigens dat later ook in Bulgarije werd gebouwd. Groter en bedoeld voor hogere partijfunctionarissen was de Volga die ook tientallen jaren werd gebouwd en verkocht.

Ook hier reden die wagens nog wel rond, in de jaren zestig zelfs als taxi met een in België ingebouwde dieselmotor. Voor het echte partijkader waren er de GAZ Tsjaika’s die leken op oude Amerikaanse Packards en Zils die konden wedijveren met Cadillacs waarmee de Amerikaanse presidenten werden vervoerd. Veel van de in Rusland gebouwde modellen bleven hier onbekend. Zo waren er de RAF busjes of de Gaz-Jeeps. En wat te denken van de Zaphorodze die in de Oekraïne werd gebouwd en nog het meest leek op een NSU Prinz. In Roemenie ontstond op zeker moment ook een eigen auto-industrie die zich voor licentieopdrachten wendde tot de Franse fabrikant Renault.

En zo ontstond o.a. de daar zeer befaamde Dacia 1300 die ook decennia lang is gebouwd. Voor offroadwerk bouwde men de ARO-Jeeps en er kwam zelfs een Citroen uit de Zuid-Europese land, de Oltcit (Axel bij ons), die zich baseerde op de Visa. En wie meent dat al die Oostblokauto’s louter in kleine series gebouwd zijn komt bedrogen uit. Er zijn miljoenen Trabants, Lada’s en Skoda’s gebouwd. En veel van die wagens rijden nu, soms dertig of veertig jaar later nog steeds actief in gebruik. Natuurlijk kenden die wagens hun eigen problemen. Men had van doen met een haperende planeconomie en soms falende materialen. Maar ze zorgden er in hoge mate voor dat ook de Oost-Europese burger af en toe even momenten van vrijheid en blijheid kende. En een deel van die Oost-Europese merken van toen wendden hun blik direct na de Wende op een partner in het westen. En zo bleven veel van die legendarische merken bestaan en verdwenen sommige obscure bouwsels uit het straatbeeld.

Maar wie nu naar een moderne en bloedmooie, razendsnelle of zuinige Skoda kijkt ziet in feite een auto die is gebouwd door een fabriek die helaas slachtoffer werd van een falend politiek systeem. Voor het Tsjechische merk was de stap naar een vooroorlogse status eigenlijk een logische. Toen was het merk groot en vooral bekend om haar luxe en soms heel slimme modellen. Bij anderen ging dat heel wat moeizamer of helemaal niet. En dat is alles in een periode van slechts 20 jaar. (Ik kan in het kader van dit blog niet elk merk, model, type of bouwjaar noemen. De specialist wil me wel vergeven…De kennis is er wel, de ruimte niet..)

Geef een antwoord