Hij noemde zichzelf Y – de onbekende AR Penck

De reputatie van DDR-kunst hield in het Westen lang niet over. Ten onrechte, bleek vele jaren later. Ook achter de Muur was er nuance.

Een man zit op één knie, reikt naar voren maar lijkt door een onzichtbare kracht vast te zitten aan de grote ronde steen achter hem. Het is een schilderij van de Oost-Duitse kunstenaar Wolfgang Mattheuer, het heet ‘De vlucht van Sisyphus’ en hij maakte het in 1972. Met de ingetogen kleuren, het mythische onderwerp, de ontblote, gespierde armen schilderde Mattheuer zoals de Oost-Duitse socialistische partij, de SED, dat graag wilde.

Mythologische verhalen zouden de arbeiders steunen in het geloof in de vooruitgang, ver weg van de ‘decadente’ abstractie die aan de andere kant van de muur in zwang bleef. Dus naast de metersgrote mozaïeken op openbare gebouwen en de standbeelden van Lenin en Marx ontstonden er in de DDR vooral schilderijen van zware, realistische thema’s. Tenminste, zo dacht de gemiddelde West-Duitser erover toen in 1989 de Berlijnse Muur viel.

De reputatie van DDR-kunst hield in het Westen lang niet over. Er waren DDR-kunsttentoonstellingen in het voormalige Oosten, twee jaar geleden was er een grote, goedbezochte expositie in Potsdam, met kunst van 89 kunstenaars.

Musea in het Westen konden niet zomaar Oost-Duitse kunst kopen, de DDR-regering moest daar toestemming voor geven. Toen in 1977 vier DDR-kunstenaars waren uitgenodigd voor de (West-Duitse) Documenta, ontstond daar ophef over. Ze deden mee onder strenge supervisie van de partij. Intussen begon kunstverzamelaar Peter Ludwig uit Aken met het verzamelen van kunst uit de DDR. In 1986 was er in Bonn een grote tentoonstelling met de titel ‘Menschenbilder. Kunst aus der DDR’. Bij de opening van die tentoonstelling bleek dat oud-bondskanselier Helmut Schmidt het officiële portret van zichzelf had laten maken door de Oost-Duitse schilder Bernhard Heisig. Zijn keuze voor een DDR-kunstenaar zorgde aan beide kanten van de Muur voor verbazing.

Toch waren niet alle kunstenaars zo negatief over het leven in de DDR. Het bekendste, beruchtste voorbeeld daarvan is Willi Sitte, die in eerste instantie behoorlijk Picasso-achtige en dus in de DDR als decadent bestempelde schilderijen maakte. Dat veranderde vanaf begin jaren zestig, toen hij steeds actiever werd bij de SED, de socialistische partij: hij werd voorzitter van de commissie die kunst goed- of afkeurde. Na de val van de Muur werd hem verweten stasi-medewerker te zijn geweest, een museum in Nürnberg zegde daarom in 2001 een tentoonstelling op het laatste moment af. De selectie van zijn werk die nu in Düsseldorf is te zien, maakt duidelijk dat zo’n dikke streep door een dergelijk ‘besmet’ oeuvre ook niet terecht is. Het zijn wonderlijke schilderijen, met veel naakt, van hardwerkende mijnwerkers én van geliefden.

Het werk van A.R. Penck (pseudoniem van Ralf Winkler) is dan weer van een hele andere categorie. Een poppetje, niet meer dan een paar strepen, loopt over een dunne lijn van de ene naar de andere kant van een kloof, van het donker naar het licht. ‘Der Über-gang’ (1963) werd al snel het symbool van de vlucht van Oost naar West, de stap die de kunstenaar zelf ook in 1980 maakte. Met de uitleg was Penck het zelf overigens niet eens: voor hem was het symbool voor de algehele twijfel en universele onzekerheid over de toekomst.

Je zou kunnen zeggen dat West-Duitsland de DDR-kunst als die van een vroegere kolonie heeft behandeld. Bij de Wiedervereinigung waren het de rijke, van nature arrogante westerlingen die de mensen uit het Oosten bij hen ontvingen. Volgens recent onderzoek zijn de verschillen tussen voormalig Oost en West nog steeds duidelijk voelbaar en zichtbaar op alle niveaus.

Geef een antwoord